Zoals in vele oude huizen in het Sint Andrieskwartier stond de wc op het koertje. Van een badkamer was er helemaal al geen sprake. Dat was voor de rijke mensen. In de winter als het vroor dat het kraakte zat je daarbuiten op de wc dan ook je gazet niet te lezen. We bewoonden het gelijkvloers en hadden het geluk dat we ons toilet (moeder vond “toilet” mooier klinken dan “gemak” zoals de meesten van’t kantje het wc noemden) niet met de bewoners van de bovenverdiepingen moesten delen. Moeder baatte toen nog een snoepwinkeltje uit, dat maakte dat wij altijd langs de winkel binnen en buiten konden. Er was een aparte-entree voor de bovenbewoners, je liep elkaar niet constant tegen het lijf, wat in de buurt een hele luxe was. Ik zat achter in de keuken bij de kachel te leren. Op de ruiten van de vensters had het vriezemanneke prachtige ijsbloemen getekend. Ik hoorde vader die zoals naar gewoonte niet recht van het werk naar huis gekomen was. Het zal hoge nood geweest zijn want zonder een woord te zeggen stoof hij door de keuken recht het koertje op en in de wc.De deuren nog open en direct kwam de ijskou de keuken binnen. Toen ik aanstalten maakte om de keukendeur te sluiten hoorde ik vader in paniek roepen “Haalt moeder, haalt je moeder, Mariaaaaa godverdomme!!!!!” . Moeder was er sneller dan ik haar kon roepen, de hele straat zal het wel gehoord hebben. Ze had vader bij de arm, die ineen gedoken alsof hij het plafond op zijn hoofd gekregen had en bracht hem de keuken binnen. “Doe al die kleren maar uit zegde ze, gooi maar op de grond”. Het stonk gelijk de pest. Vader zegde voortdurend “Aaaa, aaaa, aaa.” Moeder die anders wel wat verdragen kon liep rood aan “Gij vieze zatlap, den bril was weer te koud zeker”... Ik snapte het al, als het zo koud was dan liet vader (ik ook) nooit zijn broek tot op zijn voeten, hij trok die dan op over zijn knieën, zodat een stukske broek de koude wc bril nog bedekte. “G’hebt verdomme op je bretellen gescheten, je bretellen hingen in’t gemak, g’hebt er op gescheten” riep moeder. En ja, die bretellen hingen vol, ook vaders hals en rug. In zijn haast om weer in de warmte te komen had vader snel zijn broek opgetrokken, tegelijk zijn armen door zijn bretellen en het hele pak in zijn eigen nek gekwakt.
In mijn kamertje was het koud, maar het stonk er tenminste niet. Daar heb ik toen het besluit genomen om mijn bretellen te vervangen door een broeksband, wat in het begin niet gemakkelijk was, daar mijn meeste broeken niet voorzien waren met van die ringetjes om een broeksband door te steken.
Salukes van Ludovikus.

januari 31, 2010
Bretellen
januari 13, 2010
Winter
Waar is de tijd dat we vol ongeduld zaten te wachten…….,,, wat zeg ik… zaten te smachten, dat het winter werd. Hier in ons landje viel nooit genoeg sneeuw om eens flink op de latten uit de bol te gaan. Het was een echte microbe die bezit nam van je hele gedachtengang. Als er maar even tijd was draaide alles rond dat ene “gaan skiën“. We waren ook in een skie club. Elke week gingen we dan oefenen op de kunst piste. Geen sneeuw hoor, maar een soort nylon borstels, die met de haren naar boven, de hele piste bedekten. Omdat we in de zomer keihard werkten en vele overuren klopten, konden we soms tot zes weken naar de bergen. Oostenrijk, Frankrijk, Zuid-Tirol(Italië) overal waar skie stations waren. Meestal gingen we de eerste week in de lokale skischool. Daar we reeds op de latten stonden in 1955, konden we wel degelijk uit de voeten. Veel skiën, soms een hele maand aan een stuk, dat doet het hoor. Met een weekje per jaar kan het wel aangenaam zijn, zeer zelfs. Maar zoals met alle sporten, een goede konditie en veel oefenen is de vereiste. Spijtig dat het zo heel veel pijn deed in je geldbeugel. Dat is de reden waarom we nu niet rijk zijn. We hebben niet te klagen. We kunnen niet kopen wat we willen, maar we kunnen wel nog altijd kopen wat we nodig hebben. Dat noem ik rijk zijn op mijn manier.
We denken nog vaak terug aan die prachtige dagen en als de vrienden er zijn komen de grote avonturen weer naar boven. Dan kriebelt het toch nog altijd. Spijtig dat die oude knoken het niet meer aankunnen. We zouden die jonge gasten nog wel een poepje laten ruiken. Nu heeft kleindochter Axelle de microbe te pakken, maar nu zijn er ook al meer mogelijkheden om het eerst te leren in eigen land. Dus elke week trekken we er mee naar ’s Gravenwezel.
Salukes van Ludovikus.
juni 15, 2009
Oud Antwerpen.
De eerste tien jaar van mijn meer dan gevuld leven, zijn mijn ouders, zeker vijf maal verhuisd. Enkele malen omdat het behang begon te verkleuren en tweemaal omdat de Duitsers, uit pure sympathie, een vliegende bom (V1) op ons dak lieten neerkomen.Gelukkig beperkte die chronische zucht tot migreren, zich tot telkens maar enkele straten verder. Er was wel altijd één constante. Als er één huis was in de straat, waar niemand in wilde wonen, waar niemand durfde aanbellen, dan woonde ik daar. Maar het gaat nu niet over mij.
Achter de hoek van onze straat was de Pompstraat. Een schoolvriendje woonde in het geboorte huis van Lode Zielens en enkele huizen verder had Hendrik Consience gewoond. Toch twee toppers in de Nederlandse literatuur. Lode Zielens heeft ooit de Driejaarlijkse Staatsprijs in de wacht gesleept met het meesterlijke “Moeder Waarom Leven Wij?”. Maar wat de meeste Sinjoren niet weten is dat de vader van Lode, Frans, de muziek schreef voor zijn broer Louis, de peter van Lode. Louis Zielens was een gekend volkszanger die rond de vorige eeuwwisseling (1900) optrad in de vele café-chantants die Antwerpen toen rijk was. Hij was in tegenstelling tot zijn petekind Lode, die meer geschokt was door de sombere levensomstandigheden van het volk, waaruit hij stamde en waarmee hij leefde, een opgeruimde kerel. Hij schreef ook al zijn teksten zelf.en zag de toestanden dus op een andere manier: hij trachtte de mensen te laten lachen, het was zijn bedoeling om de mensen van ‘t kantje, een stukje vrolijkheid te brengen. Dit zijn twee stroofjes van een lied van hem:” LEVE DE ZONDAG” Ik ben een zeer vroolijk gezel
Ik hou van vreugde en plezier,
De arbeid bevalt mij zeer wel,
Maar ‘k ben graag een dagje op zwier,
Want als men een gansche week slaaft,
Dan tracht men soms wel naar rust,
Daarom dan maar ‘t hartje gelaafd,
Gedronken zooveel het u lust.
refrein:
Lustig leven
Is mijn streven
In plezier en vroolijkheid
Leve de Zondag! zoo riep ik altijd
Die jong en oud, ja, eenieder verblijdt!
Hij doet tieren
Hij doet zwieren
Aan den dans en aan den disch,
Ja, voor mij is ‘t altijd kermis,
Als de Zondag daar maar is.
Het gaat nog enkele strofen verder, maar dat is niet mijn bedoeling. Ik wilde maar aantonen wat het is een Sinjoor te zijn. Het mag ook wel eens een
beetje ernstig he?
Salukes van Ludovikus.
april 25, 2009
KAMPEREN
Ik was veertien, juist geworden. Zag er wel ouder uit. Al tamelijk groot voor mijn jaren. (Ben niet veel meer gegroeid later). De jongens uit de buurt waren allen wel wat ouder.
Daar ik nogal redelijk mijn mannetje kon staan, maakten ze daar geen zaak van. Na school zaten we steeds op ons vertrouwde plekje. Een brede blauw arduinen vensterbank van een leegstaand huis. Daar werden de meest fantasierijke verhalen verteld en de belangrijkste beslissingen genomen. Zoals toen we besloten een weekend te gaan kamperen.
Lode, de oudste, zestien jaar, wist een keitoffe plaats. Het fort van Lillo. Dicht bij een boer. Daar konden we melk, eieren en spek kopen. De rest, zoals brood en wat nog, namen we mee van thuis. Een vierman tentje, elk een deken, slaapzakken hadden we niet, zouden wel op de fietsen verdeeld worden.
De leerplicht was toen tot veertien jaar. Verder studeren kon. Enkele van ons werkten al. We vonden ons zo een beetje volwassen. De ouders maakten dan ook geen bezwaar. We trokken ons plan wel.
Van het Sint Andries kwartier naar Lillo was niet zo ver. We waren al vroeg weg. Bij aankomst, wilde geen van ons vier toegeven dat hij doodmoe was. Tent opgezet.Onze rommel erin. Een flink kampvuurtje. Daar zaten we dan. Geen levende ziel te zien in kilometers. Het werd avond. We waren al snel uitverteld en zaten elkaar verveeld aan te kijken. Allee zeg!!! Zaterdag avond en daar zaten we dan in de wei bij de koeien. De Lode had een beter idee. We rijden terug naar t’Eilandje, we gaan er ene pakken in de Washington. Daar vroegen ze je pas niet……
En het was echt gezelliger in de Washington. Van de tweede of was het de derde trapist, was ik al poepeloere. Maar goed ook, want mijn geld was op. Mijn maten werkten al, die kregen meer zondag dan ik en hadden ook meer ondervinding in zulke toestanden. Ze kregen me aan het dansen met een beeldschoon schippersdochter. Op dat moment was King Kong beeldschoon in mijn ogen. Het begon al licht te worden en het was nog een hele tocht terug. Thuis was eigenlijk veel dichter. Dus besloten we om maar naar huis te fietsen. Ik weet nog dat ik tegen moeder zegde dat het binnen regende in de tent, alhoewel er geen druppel gevallen was. Zondag namiddag, zo tegen een uur of vier, zijn we de tent, de dekens, het brood en de rest, gaan terug halen.
We zijn nog dikwijls gaan kamperen in de Washington. Maar dan lieten we de tent, de dekens, het brood en de rest, maar thuis.
Salukes van Ludovikus.
maart 27, 2009
Oude Geuze
..De jaren 1950. Moeder en vader waren de trotse bezitters van een stadstuintje aan de Kielse Vest of toch ergens daar in de nabijheid. Er lagen hier en daar nog enkele overblijfsels van de Wereldtentoonstelling in 1930. Het stadsbestuur verhuurde die tuintjes voor onbepaalde duur. De bedoeling was, de stadsmensen wat recreatie te bezorgen op een gezonde wijze. Een groente perkje, wat aardappelen, bloemen, als het maar binnen de perken bleef. Er stond een bungalow op, volledig ingericht en als verwarming in de winter, zo’n duveltje, een stoveke dat alles brandde. Alhoewel het verboden was bleven ze er meermaals overnachten. Ik croste dan over en weer van school naar huis, van huis naar de bungalow. Niet gemakkelijk, maar moelijk gaat ook. Broer en zus waren beiden al het huis uit. Achter de bungalow had vader een primitieve koelruimte. Een eternieten bak in de grond met deksel. Daar hield hij zijn Oude Geuze op temperatuur. Een dozijn van die grote dikke flessen met kurk en ijzerdraadje zoals champagne. Om te camoufleren zette hij er wat rommel op. Ik durfde al wel eens een fles of twee mee naar huis nemen in mijn fietszakken. Thuis dan wel oppassen, door het schudden op de fiets, eens ijzerdraadje weg, vloog de kurk tegen het plafond. Vader was een man van weinig woorden. Op een dag was hij achter het huisje bezig met een nieuwe put. Enkele dagen later, ik naar de Geuze. Geuze weg, alleen nog wat etenswaren. Ha, ha, daarom die nieuwe put.
Zaterdag namiddag, ik van school. Briefje aan de deur “We zijn naar de Boogschieters”. De tuiniers hadden een boogschutters clubje in de grootste bungalow. Ik deed het ook graag en had mijn eigen boog en vier pijlen. Schieten naar een strooien ronde roos. Maar niet vandaag. Achter het huisje kon je zien waar er gegraven was. Was maar een dun laagje aarde boven op een arduin. Dat beetje aarde was snel weggeveegd. Die arduinen steen, hoe had hij die hier gekregen. Ik wist wel waar er nog lagen maar deze plavuis. Meer dan een halve vierkante meter en wel dertig centimeter dik. “Das bijna honderd kilo” dacht ik. Nu moest ik het zeker weten. Eerst de steen helemaal vrij van aarde, dan de zijkanten. Verdomme,..das een echte dikke zware steen. Kon er al wel mijn vingers onder krijgen maar dat was niet genoeg. Er lag een dikke plank, die kon ik als hefboom gebruiken. Ja, er kwam beweging in. Er lag genoeg hout voor de stoof. Telkens kon ik er een dikker stuk hout onder steken. Ik voelde met mijn vingers,…geen put.. nog wel aarde… “Had hij boven op een deksel dan nog aarde…”??. Ik moest het toch weten. Zo’n sterk bazeke dat ik was, komaan, beide handen eronder en heffen, komaan,.. heffen!! Goh..!! Ik dacht dat mijn rug scheurde, kon ik mijn voeten maar beter zetten. “Heffen verdomme “ riep ik. En hij kwam… bijna recht.. nog een beetje.. de steen kantelde om. Succes!!! Aan de onderkant van de steen, een briefje, vastgeplakt met tape. Ik begon het al te voelen tussen mijn benen “ze hebben me bij mijn kloten”. Op het briefje, die hanepoten van vader “Oooo, wat ben ik blij dat ik lig op mijn ander zij” Die steen weer op zijn plaats krijgen was al even zwaar, dan het zand er weer over. Juist zoals het geweest was.
Hoorde ik niet ergens lachen, neeeeee, das mijn verbeelding.
Ja, vader was een man van weinig woorden.
Salukes Van Ludovikus.
maart 4, 2009
Het dorp.
Die wijde witte zandweg met zijn diepe karresporen had lang geleden al plaats gemaakt voor asfalt. Nu reed de bus tot voor het dorp. Geen zand meer in je schoenen. Niet meer door het slijk in de winter. De stad kwam al maar dichterbij.
Van aan het bushokje hier kon je de rode pannendaken boven de bomen zien. Je snuift de geuren van je jeugd op. Al die herinneringen tegelijk. Zou Kobe nog leven? Kobe was toen een man van rond de dertig. Een groot hoofd op een zwaar lichaam en handen als koolschoppen. Zijn geest was zijn lichaam niet gevolgd en op zijn vijfde of zesde levensjaar blijven steken. Hij was zich nooit van enig kwaad bewust. Gretig slachtoffer van de meeste onzer plagerijen. Toen we vuur stookten in een oude oliedrum, zo een vol gaten voor de trek. Geteerde biels brandden tot het vat witgloeiend stond. Kobe bleef er zo dicht bij staan tot zijn broek in brand vloog. Toen we hem meenamen naar de bakker. We hadden Kobe een oude hoed opgezet. We gingen bij de bakker ne grote piot kopen de Rosse en ik. Twee piotten voor ne frank. De bakker moest van achter komen uit de bakkerij, dat duurde een tijdje. We hadden Kobe overhaald om twee pateekes met slagroom uit het uitstalraam onder zijn hoed te steken. Kobe hield zich goed, zijn gelaat vuurrood, ogen wijd open en een streepje zever uit zijn onschuldig lachende mond. Zodra ons piotten in de hand en ne frank op de toog,…gaf de Rosse een ferme mep boven op de hoed van Kobe en renden we buiten, de sukkelaar, nog steeds zalig lachend achterlatend.
S’avonds stond de bakker met twee pateekes in de hand bij ons in de keuken, deed zijn verhaal en vader, razend, betaalde voor de geleden schade en om het goed te maken, kocht hij ook nog die twee voorbeelden. Ik was er maanden niet goed van. De slimme bakker had hetzelde gedaan bij de Rosse thuis, met hetzelfde resultaat…… Ja, die tijd komt nooit meer terug…..
Dat schoot allemaal door mijn hoofd, staande bij dat bushokje, in de blakende zon. Twintig meter verder naast de baan, onder de enige boom in de omtrek, een grote witte geit, vast aan een touw; aan een piket. Daarnaast, een man, uitgestrekt, rode zakdoek met witte bolletjes over het gelaat, middagdutje. Nieuwsgierig dat ik ben kom ik dichter, mischien ken ik hem. “Middag” klinkt het vanonder de zakdoek. “Middag”.. zeg ik en zet me naast hem…..niks meer… Stilte…..Om toch iets te zeggen… “hoe laat zou het zijn” vraag ik. Hij neemt de zakdoek en steekt hem in zijn zak, draait zich naar de geit, neemt de gezwollen uier in zijn hand, knijpt even en “bijna twee uur” zegt hij. Ik kijk stiekem op mijn uur, zit daar verwonderd, ik denk..”da kan nie he!!!”. Zou hij dat kunnen voelen aan die uier, misschien wanneer hij de geit laatst gemolken had. Ik wacht nog even maar ok… “zijde zeker” vraag ik nog eens. Hij draait zich naar de geit, neemt de uier, knijpt wat en “vijf na den tweeën” zegt hij. “Allee zeg, hoe doe de da” vraag ik. “Watte?” zegt hij. .. Ikke… “awel zo met die geit, het uur en zo?”.
“Das nie moeilijk” zegt hij. “als ge hier op mijn plaats ligt, dan kunde da ook”.
Ik weer ” allee, hoe da”? “Awel” zegt hij ” als ge hier onder de geit haren uier weg duwd, dan ziet ge de klok ginder op den toren.
Salukes van Ludovikus.
februari 18, 2009
Antwerpen Belgisch
Alhoewel de geschiedenis verklaart dat de Belgische omwenteling in 1830 een feit was, bleven enkele bolwerken zich nog hevig verzetten tegen de Belgische would-be opstandelingen. Het nog door Alva in de 16° eeuw gebouwde Zuidkasteel, de versterkte halve maan St.Laureis aan het Antwerpse Leikwartier, was er een van en zou standhouden tot 1832. De Hollandsse garnizoenscommandant-generaal Chassé kan zich daar twee jaar min of meer koesthouden. Hier komt verandering in wanneer de felle grijsaard in December, 1832 nog de hele maand weerstand biedt met een garnizoen van slechts 6000 man, aan de 70.000 Franse soldaten onder leiding van de Franse maarschalk Gérard, door Leopold 1, te hulp geroepen. De Fransen beschieten de citadel met het zwaarste geschut, reuzenmortiers, die “ballen” van 500 kilo afschieten. Het Zuidkasteel wordt compleet in puin geschoten en zal nooit meer gerestaureerd worden. De buitenwallen zullen enkele jaren later (1864 tot 1870) deelmaken van de vestinggordel van Brialmont.
Ter herinnering van dit feit voorzagen de straatnaamgevers een aantal passende straatnamen:Bestorming-,Beleg-,Bolwerk-,Bres-,Batterij-, en Halfmaanstraat.
De hevigheid overtrof al wat men dusver kende. De Franse batterij zorgde voor een bres in een halve maan en de bestorming met bajonet begon. Van heel militair Europa stroomden ramptoeristen toe en volgden de feestelijkheden met professionele belangstelling. Moedig ook onze toenmalige koning Leopold I vanop de toren van St.Andrieskerk, hoog en droog. Zo werd Antwerpen Belgisch met de hulp van een Frans leger. Met de welvaart was het voorlopig weer een tijdje gedaan. Vooral voor de haven.
Dat de Vlaamse aard sterk onderschat werd door de franskiljons is het feit dat we nog altijd Vlaams spreken en ons weer bewust worden van onze eigen kracht.
Salukes van Ludovikus.(t’mag ook eens ernstig zijn niewaar?)
Antwerpen Belgisch
Alhoewel de geschiedenis verklaart dat de Belgische omwenteling in 1830 een feit was, bleven enkele bolwerken zich nog hevig verzetten tegen de Belgische would-be opstandelingen. Het nog door Alva in de 16° eeuw gebouwde Zuidkasteel, de versterkte halve maan St.Laureis aan het Antwerpse Leikwartier, was er een van en zou standhouden tot 1832. De Hollandsse garnizoenscommandant-generaal Chassé kan zich daar twee jaar min of meer koesthouden. Hier komt verandering in wanneer de felle grijsaard in December, 1832 nog de hele maand weerstand biedt met een garnizoen van slechts 6000 man, aan de 70.000 Franse soldaten onder leiding van de Franse maarschalk Gérard, door Leopold 1, te hulp geroepen. De Fransen beschieten de citadel met het zwaarste geschut, reuzenmortiers, die “ballen” van 500 kilo afschieten. Het Zuidkasteel wordt compleet in puin geschoten en zal nooit meer gerestaureerd worden. De buitenwallen zullen enkele jaren later (1864 tot 1870) deelmaken van de vestinggordel van Brialmont.
Ter herinnering van dit feit voorzagen de straatnaamgevers een aantal passende straatnamen:Bestorming-,Beleg-,Bolwerk-,Bres-,Batterij-, en Halfmaanstraat.
De hevigheid overtrof al wat men dusver kende. De Franse batterij zorgde voor een bres in een halve maan en de bestorming met bajonet begon. Van heel militair Europa stroomden ramptoeristen toe en volgden de feestelijkheden met professionele belangstelling. Moedig ook onze toenmalige koning Leopold I vanop de toren van St.Andrieskerk, hoog en droog. Zo werd Antwerpen Belgisch met de hulp van een Frans leger. Met de welvaart was het voorlopig weer een tijdje gedaan. Vooral voor de haven.
Dat de Vlaamse aard sterk onderschat werd door de franskiljons is het feit dat we nog altijd Vlaams spreken en ons weer bewust worden van onze eigen kracht.
Nu is het zover gekomen dat al onze” kroonjuwelen”, Gas, Elektriciteit, (Electrabel) Fortis, Dexia, noem maar op, naar Frankrijk verhuist zijn zonder slag of stoot, weggegeven door figuren als Davignon en dergelijke. Als ze het kraantje dicht draaien zitten we in de kou en het donker. Ook betalen we ons blauw, zij bepalen de prijs.
Salukes van Ludovikus.(t’mag ook eens ernstig zijn niewaar?)
december 20, 2008
Mijn pijp
Kort na de oorlog werden er nog veelvuldig paarden gebruikt aan de haven. Zeker bij het lossen van balen sisal of katoen. Kaai 133, een houten bureeltje, met vier dicht op elkaar. Ik rookte toen nog. Zo’n studentikoos pijpje. Onder de hangars was roken ten strengste verboden. Niet meer dan tien minuten dat ik aan boord was en pijpje onbewaakt achterliet, hadden ze het geflikt. Ik zag direkt dat er iets niet pluis was. Te serieus bezig, te stil. Maar nee,.. ik beelde me dat maar in. Pijp was uitgedoofd. Dat heb je dus ook met een pijp, je moet er aan blijven trekken, zo noemen ze dat. K’steek het vuur aan de pijp en na enkele trekken, ne smerige smaak en ne stank zoals verbrande paardenstront.
Juist, paardenstront in de pijp. Ik kan daar niet mee lachen, nee ik ben razend, dat was een nieuwe pijp.” Zo erg is het toch ook niet” zegt Dirk,”ga aan boord, aan de winch en vraagt of ze die pijp eens uitstomen, terug als nieuw, ge zult wel zien”. Ik aan boord, pijp in de hand. De winchman, ne maat van mijn vader “natuurlijk manneke, druk die pijpekop maar stevig tegen dat kraantje” (dat is een kraantje om de druk af te laten als het werk gedaan is) “Als ik hier alles dicht draai, dan draaide gij dat maar open maar pas op voor de pollekes.K’zal wel zeggen wanneer.” Ik druk de pijp er stevig tegen aan en …”NU“ Mijn pijp schiet wel vijftig meter de lucht in en met een wijde boog in het midden van de dok. “Weg pijp,weg”. ” Ai, das erg he”!! zegt de maat van mijn vader. “Der zat wat te veel druk op, denk ik.” Maar nu voel ik eerst de pijn, godver, mijn handen verbrand. In t’bureeltje de “SIWA” gebeld voor plaatselijke verzorging. Tweede graads brandwonden. “Ja, met zo’n verband aan de handen kunt ge hier niet veel doen. Ik zal een briefke schrijven voor de ziekenkas, blijf maar een weekske thuis.” Bedankt dokter.
Door die pijp altijd in mijn mond te laten hangen was er een boventand te ver naar voor gegroeid. Die heb moeten laten trekken. Het is na al die jaren nog altijd de enige valse, nu ja valse… t’is wel ne gouden he!
Salukes van Ludovikus.
november 26, 2008
Pech
Pech, mag je wel zeggen. Enkele keren pijnlijk door de linker knie gezakt. Ligement uitgerokken? Meniscus gescheurd? K’heb er enkele dagen serieus aan afgezien. Ik mag er niet aan denken dat ik naar de dokter moet. Veel kracht heb ik sowieso niet meer in de benen. Alle spiergroepen zijn al danig geatrofieerd. Stabiliteit al jaren naar de knoppen, zo dat ik alleen nog met twee krukken uit de voeten kan. Erger zou het zijn dat de kwetsuren aan het ruggenmerg het euvel veroorzaken. Dat de verlammings verschijnselen stil aan doorzetten zoals reeds in de handen. Met enkele dagen rust schijnt het iets beter, maar ik moet blijven oefenen op de home trainer anders ben ik een vogel voor de kat. Miauw! En daar rusten en oefenen niet samen gaan..Miauw, miauw, miauw..





