Ludovikus’s Weblog

juni 15, 2009

Oud Antwerpen.

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 12:01 pm

De eerste tien jaar van mijn meer dan gevuld leven, zijn mijn ouders, zeker vijf maal verhuisd. Enkele malen omdat het behang begon te verkleuren en tweemaal  omdat de Duitsers, uit pure sympathie, een vliegende bom (V1) op ons dak lieten neerkomen.Gelukkig beperkte die chronische zucht tot migreren, zich tot  telkens maar enkele straten verder.  Er was wel altijd één constante.  Als er  één  huis was in de straat, waar niemand in wilde wonen, waar niemand durfde aanbellen, dan woonde ik daar. Maar het gaat nu niet over mij.
Achter de hoek van onze straat was de Pompstraat. Een schoolvriendje woonde in het geboorte huis van Lode Zielens en enkele huizen verder had Hendrik Consience gewoond. Toch twee toppers in de Nederlandse literatuur. Lode Zielens heeft ooit de Driejaarlijkse Staatsprijs in de wacht gesleept met het meesterlijke “Moeder Waarom Leven Wij?”.  Maar wat de meeste Sinjoren niet weten is dat de vader van Lode, Frans, de muziek schreef voor zijn broer Louis, de peter van Lode. Louis Zielens was een gekend volkszanger die rond de vorige eeuwwisseling (1900) optrad in de vele café-chantants die Antwerpen toen rijk was. Hij was in tegenstelling tot zijn petekind Lode, die meer geschokt was door de sombere levensomstandigheden van het volk, waaruit hij stamde en waarmee hij leefde, een opgeruimde kerel. Hij schreef ook al zijn teksten zelf.en zag de toestanden dus op een andere manier: hij trachtte de mensen te laten lachen, het was zijn bedoeling om de mensen van ‘t kantje, een stukje vrolijkheid te brengen. Dit zijn twee stroofjes van een lied van hem:” LEVE DE ZONDAG” Ik ben een zeer vroolijk gezel
Ik hou van vreugde en plezier,
De arbeid bevalt mij zeer wel,
Maar ‘k ben graag een dagje op zwier,
Want als men een gansche week slaaft,
Dan tracht men soms wel naar rust,
Daarom dan maar ‘t hartje gelaafd,
Gedronken zooveel het u lust.
refrein:
Lustig leven
Is mijn streven
In plezier en vroolijkheid
Leve de Zondag! zoo riep ik altijd
Die jong en oud, ja, eenieder verblijdt!
Hij doet tieren
Hij doet zwieren
Aan den dans en aan den disch,
Ja, voor mij is ‘t altijd kermis,
Als de Zondag daar maar is.

Het gaat nog enkele strofen verder, maar dat is niet mijn bedoeling. Ik wilde maar aantonen wat het is een Sinjoor te zijn. Het mag ook wel eens een
beetje ernstig he?
Salukes van Ludovikus.

april 25, 2009

KAMPEREN

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 2:07 pm


Ik was veertien, juist geworden. Zag er wel ouder uit. Al tamelijk groot voor mijn jaren. (Ben niet veel meer gegroeid later). De jongens uit de buurt waren allen wel wat ouder.

Daar ik nogal redelijk mijn mannetje kon staan, maakten ze daar geen zaak van. Na school zaten we steeds op ons vertrouwde plekje. Een brede blauw arduinen vensterbank van een leegstaand huis. Daar werden de meest fantasierijke verhalen verteld en de belangrijkste beslissingen genomen. Zoals toen we besloten een weekend te gaan kamperen.

Lode, de oudste, zestien jaar, wist een keitoffe plaats. Het fort van Lillo. Dicht bij een boer. Daar konden we melk, eieren en spek kopen. De rest, zoals brood en wat nog, namen we mee van thuis. Een vierman tentje, elk een deken, slaapzakken hadden we niet, zouden wel op de fietsen verdeeld worden.

De leerplicht was toen tot veertien jaar. Verder studeren kon. Enkele van ons werkten al. We vonden ons zo een beetje volwassen. De ouders maakten dan ook geen bezwaar. We trokken ons plan wel.

Van het Sint Andries kwartier naar Lillo was niet zo ver. We waren al vroeg weg. Bij aankomst, wilde geen van ons vier toegeven dat hij doodmoe was. Tent opgezet.Onze rommel erin. Een flink kampvuurtje. Daar zaten we dan. Geen levende ziel te zien in kilometers. Het werd avond. We waren al snel uitverteld en zaten elkaar verveeld aan te kijken. Allee zeg!!! Zaterdag avond en daar zaten we dan in de wei bij de koeien. De Lode had een beter idee. We rijden terug naar t’Eilandje, we gaan er ene pakken in de Washington. Daar vroegen ze je pas niet……

En het was echt gezelliger in de Washington. Van de tweede of was het de derde trapist, was ik al poepeloere. Maar goed ook, want mijn geld was op. Mijn maten werkten al, die kregen meer zondag dan ik en hadden ook meer ondervinding in zulke toestanden. Ze kregen me aan het dansen met een beeldschoon schippersdochter. Op dat moment was King Kong beeldschoon in mijn ogen. Het begon al licht te worden en het was nog een hele tocht terug. Thuis was eigenlijk veel dichter. Dus besloten we om maar naar huis te fietsen. Ik weet nog dat ik tegen moeder zegde dat het binnen regende in de tent, alhoewel er geen druppel gevallen was. Zondag namiddag, zo tegen een uur of vier, zijn we de tent, de dekens, het brood en de rest, gaan terug halen.
We zijn nog dikwijls gaan kamperen in de Washington. Maar dan lieten we de tent, de dekens, het brood en de rest, maar thuis.
Salukes van Ludovikus.

maart 27, 2009

Oude Geuze

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 3:26 pm

..De jaren 1950. Moeder en vader waren de trotse bezitters van een stadstuintje aan de Kielse Vest of toch ergens daar in de nabijheid. Er lagen hier en daar nog enkele overblijfsels van de Wereldtentoonstelling in 1930. Het stadsbestuur verhuurde die tuintjes voor onbepaalde duur. De bedoeling was, de stadsmensen wat recreatie te bezorgen op een gezonde wijze. Een groente perkje, wat aardappelen, bloemen, als het maar binnen de perken bleef. Er stond een bungalow op, volledig ingericht en als verwarming in de winter, zo’n duveltje, een stoveke dat alles brandde. Alhoewel het verboden was bleven ze er meermaals overnachten. Ik croste dan over en weer van school naar huis, van huis naar de bungalow. Niet gemakkelijk, maar moelijk gaat ook. Broer en zus waren beiden al het huis uit. Achter de bungalow had vader een primitieve koelruimte. Een eternieten bak in de grond met deksel. Daar hield hij zijn Oude Geuze op temperatuur. Een dozijn van die grote dikke flessen met kurk en ijzerdraadje zoals champagne. Om te camoufleren zette hij er wat rommel op. Ik durfde al wel eens een fles of twee mee naar huis nemen in mijn fietszakken. Thuis dan wel oppassen, door het schudden op de fiets, eens ijzerdraadje weg, vloog de kurk tegen het plafond. Vader was een man van weinig woorden. Op een dag was hij achter het huisje bezig met een nieuwe put. Enkele dagen later, ik naar de Geuze. Geuze weg, alleen nog wat etenswaren. Ha, ha, daarom die nieuwe put.
Zaterdag namiddag, ik van school. Briefje aan de deur “We zijn naar de Boogschieters”.  De tuiniers hadden een boogschutters clubje in de grootste bungalow. Ik deed het ook graag en had mijn eigen boog en vier pijlen. Schieten naar een strooien ronde roos. Maar niet vandaag. Achter het huisje kon je zien waar er gegraven was. Was maar een dun laagje aarde boven op een arduin. Dat beetje aarde was snel weggeveegd. Die arduinen steen, hoe had hij die hier gekregen. Ik wist wel waar er nog lagen maar deze plavuis. Meer dan een halve vierkante meter en wel dertig centimeter dik. “Das bijna honderd kilo” dacht ik. Nu moest ik het zeker weten. Eerst de steen helemaal vrij van aarde, dan de zijkanten. Verdomme,..das een echte dikke zware steen. Kon er al wel mijn vingers onder krijgen maar dat was niet genoeg. Er lag een dikke plank, die kon ik als hefboom gebruiken. Ja, er kwam beweging in. Er lag genoeg hout voor de stoof. Telkens kon ik er een dikker stuk hout onder steken. Ik voelde met mijn vingers,…geen put.. nog wel aarde… “Had hij boven op een deksel dan nog aarde…”??. Ik moest het toch weten. Zo’n sterk bazeke dat ik was, komaan,  beide handen eronder en heffen, komaan,.. heffen!!   Goh..!! Ik dacht dat mijn rug scheurde, kon ik mijn voeten maar beter zetten.  “Heffen verdomme “  riep ik.  En hij kwam… bijna recht.. nog een beetje.. de steen kantelde om.  Succes!!!  Aan de onderkant van de steen, een briefje, vastgeplakt met tape. Ik begon het al te voelen tussen mijn benen “ze hebben me bij mijn kloten”. Op het briefje, die hanepoten van vader “Oooo, wat ben ik blij dat ik lig op mijn ander zij” Die steen weer op zijn plaats krijgen was al even zwaar, dan het zand er weer over. Juist zoals het geweest was.
Hoorde ik niet ergens lachen, neeeeee, das mijn verbeelding.
Ja, vader was een man van weinig woorden.
Salukes Van Ludovikus.

maart 4, 2009

Het dorp.

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 2:09 pm

Die wijde witte zandweg met zijn diepe karresporen  had  lang geleden al plaats gemaakt  voor asfalt.  Nu reed de bus tot voor het dorp.  Geen zand meer in je schoenen. Niet meer door het slijk in de winter. De stad kwam al maar dichterbij.
Van aan het bushokje hier kon je de rode pannendaken boven de bomen zien. Je snuift de geuren van je jeugd op. Al die herinneringen tegelijk. Zou Kobe nog leven? Kobe was toen een man van rond de dertig. Een groot hoofd op een zwaar lichaam en handen als koolschoppen. Zijn geest was zijn lichaam niet gevolgd en op zijn vijfde of zesde levensjaar blijven steken. Hij was zich nooit van enig kwaad bewust. Gretig slachtoffer van de meeste onzer plagerijen. Toen we vuur stookten in een oude oliedrum, zo een vol gaten voor de trek. Geteerde biels brandden tot het vat witgloeiend stond. Kobe bleef er zo dicht bij staan tot zijn broek in brand vloog. Toen we hem meenamen naar de bakker. We hadden Kobe een oude hoed opgezet. We gingen bij de bakker ne grote piot kopen de Rosse en ik. Twee piotten voor ne frank. De bakker moest van achter komen uit de bakkerij, dat duurde een tijdje. We hadden Kobe overhaald om twee pateekes met slagroom uit het uitstalraam onder zijn hoed te steken. Kobe hield zich goed, zijn gelaat vuurrood, ogen wijd open en een streepje zever uit zijn onschuldig lachende mond. Zodra ons piotten in de hand en ne frank op de toog,…gaf de Rosse een ferme mep boven op de hoed van Kobe en renden we buiten, de sukkelaar, nog steeds zalig lachend achterlatend.
S’avonds stond de bakker met twee pateekes in de hand bij ons in de keuken, deed zijn verhaal en vader, razend, betaalde voor de geleden schade en om het goed te maken, kocht hij ook nog die twee voorbeelden. Ik was er maanden niet goed van. De slimme bakker had hetzelde gedaan bij de Rosse thuis, met hetzelfde resultaat…… Ja, die tijd komt nooit meer terug…..
Dat schoot allemaal door mijn hoofd, staande bij dat bushokje, in de blakende zon. Twintig meter verder naast de baan, onder de enige boom in de omtrek, een grote witte geit, vast aan een touw; aan een piket. Daarnaast, een man, uitgestrekt, rode zakdoek met witte bolletjes over het gelaat, middagdutje. Nieuwsgierig dat ik ben kom ik dichter, mischien ken ik hem.  “Middag” klinkt het vanonder de zakdoek. “Middag”.. zeg ik en zet me naast hem…..niks meer… Stilte…..Om toch  iets te zeggen… “hoe laat zou het zijn” vraag ik.  Hij neemt de zakdoek en steekt hem in zijn zak, draait zich naar de geit, neemt de gezwollen uier in zijn hand, knijpt even en “bijna twee uur” zegt hij. Ik kijk stiekem op mijn uur,  zit daar verwonderd, ik denk..”da kan nie he!!!”.  Zou hij dat kunnen voelen aan die uier, misschien wanneer hij de geit laatst gemolken had.  Ik wacht nog even maar ok… “zijde zeker” vraag ik nog eens. Hij draait zich naar de geit, neemt de uier, knijpt wat en “vijf na den tweeën” zegt hij.  “Allee zeg, hoe doe de da” vraag ik. “Watte?” zegt hij. .. Ikke… “awel zo met die geit, het uur en zo?”.
“Das nie moeilijk” zegt hij. “als ge hier op mijn plaats ligt, dan kunde da ook”.
Ik weer ” allee, hoe da”?  “Awel” zegt hij ” als ge hier onder de geit haren uier weg duwd, dan ziet ge de klok ginder op den toren.
Salukes van Ludovikus.

Image Hosted by ImageShack.us

februari 18, 2009

Antwerpen Belgisch

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 2:38 pm

Alhoewel de geschiedenis verklaart dat de Belgische omwenteling in 1830 een feit was, bleven enkele bolwerken zich nog hevig verzetten tegen de Belgische would-be opstandelingen. Het nog door Alva in de 16° eeuw gebouwde Zuidkasteel, de versterkte halve maan St.Laureis aan het Antwerpse Leikwartier, was er een van en zou standhouden tot 1832. De Hollandsse garnizoenscommandant-generaal Chassé kan zich daar twee jaar min of meer koesthouden. Hier komt verandering in wanneer de felle grijsaard in December, 1832 nog de hele maand weerstand biedt met een garnizoen van slechts 6000 man, aan de 70.000 Franse soldaten onder leiding van de Franse maarschalk Gérard, door Leopold 1, te hulp geroepen. De Fransen beschieten de citadel met het zwaarste geschut, reuzenmortiers, die “ballen” van 500 kilo afschieten. Het Zuidkasteel wordt compleet in puin geschoten en zal nooit meer gerestaureerd worden. De buitenwallen zullen enkele jaren later (1864 tot 1870) deelmaken van de vestinggordel van Brialmont.
Ter herinnering van dit feit voorzagen de straatnaamgevers een aantal passende straatnamen:Bestorming-,Beleg-,Bolwerk-,Bres-,Batterij-, en Halfmaanstraat.
De hevigheid overtrof al wat men dusver kende. De Franse batterij zorgde voor een bres in een halve maan en de bestorming met bajonet begon. Van heel militair Europa stroomden ramptoeristen toe en volgden de feestelijkheden met professionele belangstelling. Moedig ook onze toenmalige koning Leopold I vanop de toren van St.Andrieskerk, hoog en droog. Zo werd Antwerpen  Belgisch met de hulp van een Frans leger. Met de welvaart was het voorlopig weer een tijdje gedaan. Vooral voor de haven.
Dat de Vlaamse aard sterk onderschat werd door de franskiljons is het feit dat we nog altijd Vlaams spreken en ons weer bewust worden van onze eigen kracht.
Salukes van Ludovikus.(t’mag ook eens ernstig zijn niewaar?)

december 20, 2008

Mijn pijp

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 2:30 pm


Kort na de oorlog werden er nog veelvuldig paarden gebruikt aan de haven. Zeker bij het lossen van balen sisal of katoen. Kaai 133, een houten bureeltje, met vier dicht op elkaar. Ik rookte toen nog. Zo’n studentikoos pijpje. Onder de hangars was roken ten strengste verboden. Niet meer dan tien minuten dat ik aan boord was en pijpje onbewaakt achterliet, hadden ze het geflikt. Ik zag direkt dat er iets niet pluis was. Te serieus bezig, te stil.  Maar nee,.. ik beelde me dat maar in. Pijp was uitgedoofd. Dat heb je dus ook met een pijp, je moet er aan blijven trekken, zo noemen ze dat. K’steek het vuur aan de pijp en na enkele trekken, ne smerige smaak en ne stank zoals verbrande paardenstront.
Juist, paardenstront in de pijp. Ik kan daar niet mee lachen, nee ik ben razend, dat was een nieuwe pijp.” Zo erg is het toch ook niet” zegt Dirk,”ga aan boord, aan de winch en vraagt of ze die pijp eens uitstomen, terug als nieuw, ge zult wel zien”. Ik aan boord, pijp in de hand. De winchman, ne maat van mijn vader “natuurlijk manneke, druk die pijpekop maar stevig tegen dat kraantje” (dat is een kraantje om de druk af te laten als het werk gedaan is)  “Als ik hier alles dicht draai, dan draaide gij dat maar open maar pas op voor de pollekes.K’zal wel zeggen wanneer.” Ik druk de pijp er stevig tegen aan en …”NU“  Mijn pijp schiet wel vijftig meter de lucht in en met een wijde boog in het midden van de dok. “Weg pijp,weg”.  ” Ai, das erg he”!! zegt de maat van mijn vader. “Der zat wat te veel druk op, denk ik.”  Maar nu voel ik eerst de pijn, godver, mijn handen verbrand. In t’bureeltje de “SIWA” gebeld voor plaatselijke verzorging. Tweede graads brandwonden. “Ja, met zo’n verband aan de handen kunt ge hier niet veel doen. Ik zal een briefke schrijven voor de ziekenkas, blijf maar een weekske thuis.”  Bedankt dokter.
Door die pijp altijd in mijn mond te laten hangen was er een boventand te ver naar voor gegroeid. Die heb moeten laten trekken. Het is na al die jaren nog altijd de enige valse, nu ja valse… t’is wel ne gouden he!
Salukes van Ludovikus.

Image Hosted by ImageShack.us

november 26, 2008

Pech

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 2:54 pm

Pech, mag je wel zeggen. Enkele keren pijnlijk door de linker knie gezakt. Ligement uitgerokken? Meniscus gescheurd? K’heb er enkele dagen serieus aan afgezien. Ik mag er niet aan denken dat ik naar de dokter moet. Veel kracht heb ik sowieso niet meer in de benen. Alle spiergroepen zijn al danig geatrofieerd. Stabiliteit al jaren naar de knoppen, zo dat ik alleen nog met twee krukken uit de voeten kan. Erger zou  het zijn dat de kwetsuren aan het ruggenmerg het euvel veroorzaken. Dat de verlammings verschijnselen stil aan doorzetten zoals reeds in de handen. Met enkele dagen rust schijnt het iets beter, maar ik moet blijven oefenen op de home trainer anders ben ik een vogel voor de kat. Miauw! En daar rusten en oefenen niet samen gaan..Miauw, miauw, miauw..

november 22, 2008

Winter.

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 4:59 pm


Van morgen bedekte een wit tapijt de tuin, de eerste echte sneeuw was gevallen. De natuur maakt rare sprongen. Een grote seringen struik, kaal, alle bladeren afgeschud, en reeds komen er knoppen op, klaar om zo open te springen. Een tijdje later had het zonnetje de sneeuw in water plasjes omgetoverd. Eén koude voet in de schaduw, één warme voet in de zon. De natuur maakt rare sprongen. Ik ook!!!

november 17, 2008

De geraamtevrouw

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 12:08 pm

Noorderlicht


Kiruna, hoog in het noorden van Zweden in de jaren vijftig. Ijzermijnen en rendieren. Afwassen, helpen in de keuken, tafels ruimen in de cantine tot we genoeg verdiend hadden om weer naar huis te liften. Daar vertelde de man het verhaal van “De Geraamtevrouw”.
Hij had jaren op Groenland gewoond en had de visser uit het verhaal persoonlijk gekend.

In het hoge noorden, alleen maar ijs en sneeuw, een half jaar donker, een half jaar licht. Waarom hij daar nog woonde, eenzaam. Zijn vrouw was een half jaar eerder overleden. Iedereen had de kleine nederzetting verlaten. Het leven daar, te hard, een onherbergzame streek, geen toekomst.
Zijn bootje dobberde op het water. Hij had van de hele dag nog niets gevangen, maar hij bleef nog steeds vissen. Eén visje zou al voldoende zijn. Hij hoefde voor niemand meer te zorgen, geen sterveling zou ongerust zijn als hij niet naar huis kwam. Hij veegde een traan weg en ging door met vissen.

Plotseling stond zijn lijn strak. Beet verdorie!! En geen kleintje ook. Hij begon de vis voorzichtig binnen te halen. Deze vis leek groter dan de meeste vissen die hij daar ophaalde, maar toch kleiner dan een zeehond. En wit…witter dan wit. Wat was dat ding, het leek wel een lichaam, een geraamte, het geraamte van een vrouw.

Ze dook op uit het water, vlak voor zijn neus en leek te grijnzen over de rand van het bootje tegen hem, terwijl ze zich met haar benige vingers probeerde vast te klampen. Hoelang had ze daar op de zeebodem liggen wachten tot iemand haar opviste, deinend met de zeestroming, terwijl grote vissen het vlees van haar botten knabbelden en de kleine tussen haar ribben speelden? Ze wist het niet. Ze wist alleen maar dat het een goed gevoel was om terug naar de wereld van de levenden te keren. Op het droge, op de aarde, de zon te voelen de maan te zien.

“Ga weg!” riep de visser ontzet, vol afschuw en angst. Wierp zijn vislijn in de boot, greep zijn peddel en sloeg zo lang tot het geraamte de boot losliet, dan roeide hij zo hard hij kon naar de oever.

Het vrouwengeraamte volgde hem drijvend op het water, zwaaiend met haar benige armen, alsof ze wilde roepen, “Wacht op mij! Wacht op mij!”

Op het strand sprong de visser uit de boot, greep zijn vislijn, de draad helemaal in de war in een kluwen bij elkaar, en zette het op een lopen naar zijn houten huis.
Noorderlicht


Binnen was hij veilig, zijn hart bonkte in zijn keel. Nog happend naar adem, zeeg hij neer, de rug tegen de harde planken wand. Na een poosje voelde hij zich iets beter.
Automatisch, een gewoonte van jaren, begon hij het kluwen vislijn te ontwarren en rolde de draad op tot een keurige bol.
Toen hoorde hij gehijg en gerammel van botten.
De deur opende langzaam en het vrouwengeraamte schoof zijn houten huisje binnen.
De visser hield op met werken en het geraamte kwam niet dichterbij. Zijn hart ging weer als een razende te keer. Het vrouwengeraamte lag heel stil. Geduldig zat zij,…een bundeltje botten dat geduldig zat te wachten,.. waanzin.
Toen drong het door wat er gebeurd was. Ze zag hem niet, want de vissen hadden lang geleden haar ogen al opgegeten. Ze hoorde hem niet, want oren waren er niet meer. Hij zelf had haar meegesleept omdat ze in zijn vis lijn verward zat.

Het was niet de eerste keer dat hij een lijk zag. Zijn verbeelding had hem lelijk parten gespeeld. Zijn angst maakte plaats voor medelijden. Behoedzaam begon hij haar zachtjes te bevrijden uit de vislijn. Het nam een hele tijd in beslag, maar tenslotte had hij zo goed hij kon, haar botten neergelegd. Toen kroop hij terug naar zijn kant van de kleine hut.

Het geraamte leek zich op te richten van de plek waar de visser haar had neergelegd en bleef daar zitten met botten die van de koude rammelden. Zijn angst overwonnen gooide hij een paar stukken bont over haar heen. “Draai je daar maar in”, zei hij, en hij viel door moeheid overmand in een diepe slaap.
Terwijl hij sliep rolden tranen van eenzaamheid over zijn wangen.

De geraamtevrouw kon niet zien, horen of ruiken, maar ze voelde dat hij huilde. Ze kroop dichter en laafde zich aan zijn zilte tranen, en die tranen werden als een beek vol levenselixir.
Ze lag op zijn borst en hoorde zijn hart slaan als een trommel. Op het ritme van de trommel groeide haar vlees op haar botten en het haar op haar hoofd en het lied deed haar ogen weer zien en haar oren hoorden zijn hart kloppen en haar eigen hart klopte en klopte en klopte.

Toen de man ontwaakte was er geen geraamte meer, maar een echte levende vrouw lag tegen hem aangeleund en hij wist dat hij nooit meer eenzaam zou zijn. Ze bleven hun hele verdere leven bij elkaar.
Volgens de verteller in Kiruna, zweren de oude Groenlanders dat dit een waar verhaal is.

Salukes van Ludovikus.

november 2, 2008

Spiegeltje aan de wand….

Ingedeeld onder: Uncategorized — ludovikus @ 3:49 pm

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand….. T ‘kan verkeren zegt Brero. Als ik in de badkamer kom, schrik ik als ik die foto van mijn grootvader zie. Tot het doordringt dat het de spiegel is. Laatst, bij het opruimen van de zolder, kwamen die oude foto’s nog eens bovendrijven, dozen vol. Voor kleindochter Axelle is de zolder de grot van Ali Baba. Als we niet oppassen staat al de rommel van jaren weer beneden. De foto’s ja,… we zouden die wel inplakken als we met pensioen gingen. Nu zitten de Afrikanen tussen de Latino’s en staat de Eifeltoren ergens in Mexico.
We waren er ooit al eens aan begonnen maar …ja, ik weet het… ‘de hel is geplaveid met goede voornemens’.   Axelle zit met beide handjes te wroeten in ons verleden. Letterlijk figuurlijk. Gohh zeg!! Dat album!! De trouwfoto’s, onze trouwfoto’s. Axelle weet dat Oma en Opa, beiden, vroeger al eens getrouwd waren. Haar oortjes staan ook niet op haar kontje. Ze is al een tijdje erg in de weer met het album. Weer eens van voor naar achter. En dan  “Oma… hebt gij ook foto’s van uwen trouw met Opa”.
Beter de zolder dicht laten in t’vervolg.
Salukes van Ludovikus.Image Hosted by ImageShack.us

Volgende Pagina »

Blog op Wordpress.com.