Noorderlicht

Kiruna, hoog in het noorden van Zweden in de jaren vijftig. Ijzermijnen en rendieren. Afwassen, helpen in de keuken, tafels ruimen in de cantine tot we genoeg verdiend hadden om weer naar huis te liften. Daar vertelde de man het verhaal van “De Geraamtevrouw”.
Hij had jaren op Groenland gewoond en had de visser uit het verhaal persoonlijk gekend.
In het hoge noorden, alleen maar ijs en sneeuw, een half jaar donker, een half jaar licht. Waarom hij daar nog woonde, eenzaam. Zijn vrouw was een half jaar eerder overleden. Iedereen had de kleine nederzetting verlaten. Het leven daar, te hard, een onherbergzame streek, geen toekomst.
Zijn bootje dobberde op het water. Hij had van de hele dag nog niets gevangen, maar hij bleef nog steeds vissen. Eén visje zou al voldoende zijn. Hij hoefde voor niemand meer te zorgen, geen sterveling zou ongerust zijn als hij niet naar huis kwam. Hij veegde een traan weg en ging door met vissen.
Plotseling stond zijn lijn strak. Beet verdorie!! En geen kleintje ook. Hij begon de vis voorzichtig binnen te halen. Deze vis leek groter dan de meeste vissen die hij daar ophaalde, maar toch kleiner dan een zeehond. En wit…witter dan wit. Wat was dat ding, het leek wel een lichaam, een geraamte, het geraamte van een vrouw.
Ze dook op uit het water, vlak voor zijn neus en leek te grijnzen over de rand van het bootje tegen hem, terwijl ze zich met haar benige vingers probeerde vast te klampen. Hoelang had ze daar op de zeebodem liggen wachten tot iemand haar opviste, deinend met de zeestroming, terwijl grote vissen het vlees van haar botten knabbelden en de kleine tussen haar ribben speelden? Ze wist het niet. Ze wist alleen maar dat het een goed gevoel was om terug naar de wereld van de levenden te keren. Op het droge, op de aarde, de zon te voelen de maan te zien.
“Ga weg!” riep de visser ontzet, vol afschuw en angst. Wierp zijn vislijn in de boot, greep zijn peddel en sloeg zo lang tot het geraamte de boot losliet, dan roeide hij zo hard hij kon naar de oever.
Het vrouwengeraamte volgde hem drijvend op het water, zwaaiend met haar benige armen, alsof ze wilde roepen, “Wacht op mij! Wacht op mij!”
Op het strand sprong de visser uit de boot, greep zijn vislijn, de draad helemaal in de war in een kluwen bij elkaar, en zette het op een lopen naar zijn houten huis.
Noorderlicht

Binnen was hij veilig, zijn hart bonkte in zijn keel. Nog happend naar adem, zeeg hij neer, de rug tegen de harde planken wand. Na een poosje voelde hij zich iets beter.
Automatisch, een gewoonte van jaren, begon hij het kluwen vislijn te ontwarren en rolde de draad op tot een keurige bol.
Toen hoorde hij gehijg en gerammel van botten.
De deur opende langzaam en het vrouwengeraamte schoof zijn houten huisje binnen.
De visser hield op met werken en het geraamte kwam niet dichterbij. Zijn hart ging weer als een razende te keer. Het vrouwengeraamte lag heel stil. Geduldig zat zij,…een bundeltje botten dat geduldig zat te wachten,.. waanzin.
Toen drong het door wat er gebeurd was. Ze zag hem niet, want de vissen hadden lang geleden haar ogen al opgegeten. Ze hoorde hem niet, want oren waren er niet meer. Hij zelf had haar meegesleept omdat ze in zijn vis lijn verward zat.
Het was niet de eerste keer dat hij een lijk zag. Zijn verbeelding had hem lelijk parten gespeeld. Zijn angst maakte plaats voor medelijden. Behoedzaam begon hij haar zachtjes te bevrijden uit de vislijn. Het nam een hele tijd in beslag, maar tenslotte had hij zo goed hij kon, haar botten neergelegd. Toen kroop hij terug naar zijn kant van de kleine hut.
Het geraamte leek zich op te richten van de plek waar de visser haar had neergelegd en bleef daar zitten met botten die van de koude rammelden. Zijn angst overwonnen gooide hij een paar stukken bont over haar heen. “Draai je daar maar in”, zei hij, en hij viel door moeheid overmand in een diepe slaap.
Terwijl hij sliep rolden tranen van eenzaamheid over zijn wangen.
De geraamtevrouw kon niet zien, horen of ruiken, maar ze voelde dat hij huilde. Ze kroop dichter en laafde zich aan zijn zilte tranen, en die tranen werden als een beek vol levenselixir.
Ze lag op zijn borst en hoorde zijn hart slaan als een trommel. Op het ritme van de trommel groeide haar vlees op haar botten en het haar op haar hoofd en het lied deed haar ogen weer zien en haar oren hoorden zijn hart kloppen en haar eigen hart klopte en klopte en klopte.
Toen de man ontwaakte was er geen geraamte meer, maar een echte levende vrouw lag tegen hem aangeleund en hij wist dat hij nooit meer eenzaam zou zijn. Ze bleven hun hele verdere leven bij elkaar.
Volgens de verteller in Kiruna, zweren de oude Groenlanders dat dit een waar verhaal is.
Salukes van Ludovikus.


